kvo 52e jaargang nummer 2 februari 1988

J.E.v.d.Brink

ALS IN DE DAGEN VAN NOACH

Een visie op de eindtijd

In zijn grote eindtijdrede legde Jezus verband tussen de laatste dagen waarin wij leven en de prehistorische tijd, met de woorden: 'Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn' (Matt.24:37).

Het is daarom van belang parallellen te trekken en verschillen te ontdekken tussen beide perioden in de geschiedenis der mensheid.

Hierbij zijn voor ons de gebeurtenissen in de onzienlijke wereld primair.

De voortijd

Volgens het bekende boek van Rehwinkel: 'De Zondvloed', waren er in de tijd van Noach al miljarden mensen op aarde. Allen waren nakomelingen van de super begaafde Adam en diens intelligente vrouw Eva. Zo was de eerste mens in staat om 'alle levende dieren' een naam te geven. Wat een schat van woorden en welk een taalrijkdom moet Adam wel bezeten hebben. God zelf was toeschouwer van dit fenomenale gebeuren. Ook weten wij dat Eva openstond om haar kennis naar alle zijden uit te breiden. Hun zoon Kaïn was een stedebouwer en beslist geen holbewoner, want in steden is het culturele leven gecentraliseerd. De begaafde zonen van Lamech waren: Jubal, de zwerver, de uitvinder van het textiel. Jubal was ongetwijfeld een muzikale virtuoos: 'Hij werd de vader van allen, die spelen op citer en fluit'. Tubal Kaïn was zijn tijd eeuwen vooruit, want hij leefde niet in het stenen, maar in het bronzen en zelfs ijzeren tijdperk. Zijn naam betekent metaalsmid en hij was de eerste wapenfabrikant. Noach was een scheepsbouwer van formaat. Hij vervaardigde een ark waarvan de inhoud ongeveer 97.000 M3 bedroeg. Alleen onze eeuw kent grotere schepen. Uit alles blijkt dat de prehistorische mens tot een geciviliseerde maatschappij behoorde.

Hoewel van taalverschillen en rassenproblemen nog geen sprake was, noemt de bijbel wel twee ongelijke mensengroeperingen, namelijk de Kaïnitische en de Sethitische lijn. De nakomelingen van Kaïn waren goddeloos. In hen huisde een geweldgeest uit het voorgeslacht. Deze belager had oorspronkelijk aan het levenshuis van Kaïn gestaan. Door zijn begeerte gedreven was deze demon binnengedrongen en Kaïn werd een moordenaar. Lamech, de zevende van Adam in de geslachtslijn van Kaïn, een polygamist, bezat dezelfde geest. Dreigend sprak hij tot zijn vrouwen: 'Een man dood ik als hij mij wondt en een jongeling als hij mij slaat'. Het huwelijk van deze geweldenaar met Ada en Zilla berustte niet op liefde maar op intimidatie. Ook van hem profeteerde Henoch, ook de zevende van Adam, dat de Here zou komen met zijn heilige tienduizenden om over allen gericht te houden en hen te straffen voor al hun goddeloze werken die zij bedreven hadden en ook voor de harde taal, die ze tegen hem hadden gesproken (Judas 14,15). De Here zou ze overgeven aan de geweldgeesten die ze hadden gehoorzaamd.

Lange tijd vertegenwoordigden de Sethieten het godvrezende deel der wereldbevolking. In de tijd van Enos, de zoon van Seth, begon men de naam des Heren aan te roepen. Voor hen die dit deden, gold: 'Wie de naam des Heren aanroept, sta af van boosheid'. De hieraan verbonden belofte gold ook toen: ' Wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden'. In de septuaginta staat dat Enos geloof bezat de naam des Heren aan te roepen. Hadden zijn nakomelingen hierin volhard, dan zou deze naam hen onaantastbaar hebben gemaakt voor de boze geestenwereld (Ps.20:2). Maar onder hen begon het verbasteringsproces zoals in de eindtijd dit ook bij het volk van God zal plaatsvinden. Zij kregen de toenmalige wereld lief en de liefde des Vaders was niet meer in hen. Ook trokken zij het aanstaande gericht dat God nooit gewild had, naar zich toe. De woorden van Jezus: 'Zij waren etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag waarop Noach in de ark ging', typeren de onverschilligheid van deze natuurlijke mensen, die enkel 'vlees' waren en niets opmerkten van de tekenen der tijden en de stem der profetie verachtten. Ook van de afvallige Sethieten kon worden gezegd wat de apostel schreef in verband met de laatste dagen, dat zij 'met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochenden'. Zij braken niet met de ongerechtigheid, 'want de god van hun eeuw had hun zinnen verblind'.

Demonische invasie

De mysterieuze perikoop van Genesis 6:1-4 geeft een korte samenvatting van de oorzaak, waardoor de mensen zich voor de zondvloed 'misgingen': 'De zonen Gods zagen dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie ze maar verkoren'. De uitdrukking 'zonen Gods' wordt in het Oude Testament alleen voor engelen gebruikt (Job 1:6; 2:1; 38:7; Dan.3:25,28). De Alexandrijnse tekst heeft hier trouwens ook 'engelen' staan. De term 'zonen Gods' wijst erop, dat de engelen door de Schepper zelf rechtstreeks zijn voortgebracht. Adam werd om deze reden ook 'de zoon van God' genoemd, evenals Jezus (Luc.3:38). Ook de wedergeboren mensheid, de nieuwe schepping, is 'uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God wedergeboren' (1 Petr.1:23). Ook zij draagt de naam 'zonen Gods'. (Rom.8:19; Gal.4:6).

'De dochters der mensen' waren zij, die vanuit Gods oog gezien, zijn partner zouden vormen. God zag de mensheid als een huwbare dochter, met wie Hij zich in de geest wilde verbinden. Zo sprak Hij later over Israël als 'de dochter Sions' of over 'de dochter mijns volks'. In Genesis 6 wordt dus verhaald hoe ongehoorzame engelen hun zonde tegen God vermeerderden vanwege hun ontrouw aan hun levensprincipe. In de onzienlijke wereld 'verlieten zij hun eigen woning' (Judas 6). Zij begeerden de mens die schoon, goed en intelligent was. Wederrechtelijk en in grove willekeur zochten zij gemeenschap met de geesten der mensen. Wie zich aan God hecht, is één geest met Hem, maar wie zich hecht aan het lichaam van een demon, is één met zo'n verdorven geest (verg. 1 Kor.6:17). Deze kwade, inwonende engelen gebruikten voortaan het menselijk lichaam om hun specifieke boosheid in de wereld te brengen. Er staat daarom niet van de mens, dat het voortbrengsel van zijn lichaam, zijn kinderen, boos was, maar dat van zijn hart, dus van de innerlijke mens. De dochters der mensen baarden ook geen 'kinderen' zoals er ingevoegd staat, maar de krachtigste geesten brachten de geweldigen uit de prehistorie voort. Op deze wijze raakte 'de aarde verdorven' en 'vol geweldenarij' en vol goddeloosheid (Gen.6:11). God kon met de mens geen gemeenschap meer hebben, want deze was enkel 'vlees'. De tijdgenoten van Noach vormden een 'bezeten' maatschappij, een waanzinnige wereld. Wel moet opgemerkt worden, dat deze invasie van demonen door de mensen niet was gezocht, zoals later door de torenbouwers wel werd gedaan, maar de 'belagers aan de deur' waren met geweld binnengedrongen. Deze invasie begon 'toen de mensen zich op aarde begonnen te vermenigvuldigen', dus bij Adam en Eva. Hun zoon Kaïn was het eerste slachtoffer in wie een boze geest binnendrong.

'In die dagen, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen waren gekomen,... waren er reuzen op de aarde, ook nog daarna' luidt de Canisiusvertaling. Dit 'daarna' ziet bijvoorbeeld op 'de zonen van Enak' uit Numeri 13:33 voor wie hetzelfde woord 'nephilim' wordt gebruikt. Volgens 'Unger's Bible Dictionary' betekent 'nephilim' letterlijk 'de gevallenen' (naphal is vallen). De gevallen engelen hadden niet alleen hun eigen verdorven eigenschappen in de mens gelegd, maar zij oefenden ook invloed uit op zijn lichaamsbouw. Ook daarin kwam hun geweld tot uitdrukking. In hun wetteloosheid ontregelden zij wellicht de chromosomen met de genen, die verantwoordelijk zijn voor de erfelijke overdracht. God schept geen misvormingen en afwijkingen zoals dwergen en reuzen, die de harmonie in zijn schepping verstoren. De reuzen waren 'de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam' zegt de nieuwe vertaling: 'krachtmensen uit de oude tijd, beruchte mannen' heeft de Canisius-vertaling. Zij waren de tirannen, de terroristen, de vandalen, die niemand en niets ontzagen. Zij deden de schepping zuchten en er waren geen 'zonen Gods' zoals in de eindtijd, om haar te herstellen.

Merkwaardig is dat ook gezegd wordt, dat de áárde verdorven was. Zo heeft men de fossielen van reuzebomen aangetroffen. Wij denken ook aan de groteske, draakachtige wezens, wier aanblik de mens deden verstijven van schrik. Men heeft monsters uit de dierenwereld gevonden, die geschat werden op 42 meter. Er waren dinosaurussen waarbij onze grootste olifant onbetekenend zou lijken. De brontosaurus, een hagedis, moet 15 tot 20 meter lengte en 3 tot 4 meter hoogte gemeten hebben. Deze door demonen misvormde en bezette dieren misten het door God ingelegde instinct voor de grote trek naar de ark des behouds. Zij waren willoze instrumenten van de verdervende machten met wie ze tijdens de zondvloed omkwamen. Zo overkwam het eeuwen later een kudde zwijnen, waarin een legioen duivelen, die door Jezus bij een bezetene waren uitgeworpen, hun intrek hadden genomen. In blinde razernij stormden de dieren de helling af en verdronken in de zee, terwijl de inwonende geesten naar de afgrond werden gevoerd.

De verdervers

'De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij'. Deze ontregeling werd veroorzaakt door een categorie verderfengelen, die de goddeloosheid en het brute geweld tot ongekende hoogte opvoerden. Hun aanvoerder komen wij later tegen in Openbaring 9:11. Zijn naam is daar in het Hebreeuws, de taal van het Oude testament, Abaddon. Petrus schreef: ' Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen , door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren; en de wereld in de voortijd niet gespaard heeft' (2 Petr.2:4,5). De apostel schrijft hier dus over een byzonder soort slechte engelen, die zelfs voor gevallen engelen op abnormale wijze hun boosheid botvierden, door niet alleen mensen te verleiden en onder pressie te zetten, maar op onnatuurlijke wijze massaal gemeenschap met hen zochten, een zonde die in de zichtbare wereld te vergelijken was met die van de inwoners van Sodom en Gomorra (Judas 6,7). Deze aanranders, misvormers en vernielers zijn nu nog steeds in de 'Tartarus', zoals er letterlijk staat voor 'krochten der duisternis'. De Tartarus was in de Griekse mythologie een diepe en duistere afgrond, waar de verdoemden, die direct tegen de goden hadden gezondigd, hun straf ondergingen. In Judas 6 wordt nog meegedeeld, dat deze engelen 'voor het oordeel' van de grote dag des Heren met eeuwige banden onder donkerheid worden bewaard. Zij keren dus in de eindtijd weer terug naar de aarde.

Tijdens de zondvloed stierven vele miljoenen goddeloze mensen, die met bovenvermelde verdervende geesten waren verbonden. Hun inwendige mens werd toen naar de diepte van het dodenrijk getrokken en zij boeten daar nog steeds 'met een eeuwig verderf', dat betekent in gemeenschap met hun verdervende engelen, 'ver van het aangezicht des Heren' (2 Tess. 1:9). Natuurlijk is het niet de bedoeling van de inwonende machten om met de mens naar de afgrond te gaan, want ze worden daar 'geketend' en in deze 'gevangenis' kunnen zij geen enkele activiteit meer ontplooien. Zij willen hun prooi vóór diens sterven verlaten om een andere woning te zoeken. Ingeval echter de mens de duisternis liever heeft dan het licht, wordt de boze geest gedwongen de inwendige mens van de stervende naar het dodenrijk te vergezellen. Vergelijk hiermee de arme Lazarus, die door engelen gedragen werd in de schoot van Abraham (Luc.16:22). Toen de brute aardbewoners die enkel 'vlees' waren, tijdens de zondvloed bij de poorten van het dodenrijk stonden, bekeerden zij zich niet, maar werd het schriftwoord aan hen vervuld: 'Men zal in woede uitbarsten, en zijn koning en zijn God - hier die van Noach - vervloeken' (Jes.8:21). Op deze wijze gingen de geweldenaars en 'mannen van naam' de eeuwigheid in.

kvo 52e jaargang nummer 3 maart 1988

'Want zoals het was in de dagen van Noach'

zo zal de komst van de zoon des mensen zijn'

Het zwarte gat

Het Nieuwe Testament laat ons niet in het ongewisse aangaande de soort geesten door wie de prehistorische mens werd overweldigd. De engelen 'die tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid bewaard worden', komen in de eindtijd bij de vijfde bazuin uit de put van de afgrond 'naar boven' (Openb.9:1,2). Een Engelse bijbel spreekt over de schacht van de bodemloze put. De 'ter dood veroordeelde geesten' uit de voortijd worden uit de Tartarus gehaald om opnieuw hun verwoestend werk op aarde te gaan verrichten. De schacht van de afgrond duidt men tegenwoordig populair aan met 'het zwarte gat'. Het wordt geopend door een engel, die over de sleutel van de liftkoker beschikt. Zoals gevorderden kinderen Gods door middel van de Heilige Geest de sleutels van het Koninkrijk der hemelen ontvangen om binnen te gaan in de schatkamer van het rijk Gods, zo inspireert deze leugengeest de leer aangaande het contact leggen met 'geesten der doden' (Jes.8:19). Daarom is het spiritisme 'een zonde tot de dood', want het verschaft macht om op bovennatuurlijke wijze verbinding te leggen met geesten die bij overledenen behoorden (1 Joh.5:16). De experimenten in onze tijd met 'het zwarte gat' bereiden mede de weg van de antichrist, die de opperpriester is van een spiritistische gemeenschap. De antichrist is niet het hoofd van een atheïstisch wereldcommunisme, maar hij is intens religieus. Hij gelooft in een leer, die met de krachten uit het dodenrijk werkt. Hij zoekt de verdervende geesten op, 'die bozer zijn dan hijzelf', in tegenstelling met de ware christen, die gemeenschap zoekt met de Heilige Geest, die van 'boven' is.

In de eindtijd openbaren zich 'de zonen Gods', die de volheid van de Heilige Geest bezitten en werkzaam zijn met 'de krachten van de toekomende eeuw' en 'de zonen des verderfs', die tot de spiritistische kerk van de antichrist 'de zoon des verderfs' behoren. In 2 Tessalonicenzen 2:3 wordt de antichrist de zoon van Apóllyon (Abáddon) genoemd. Hij draagt dezelfde naam die Jezus eenmaal aan Judas gaf: 'de zoon des verderfs' (Joh.17:12). Van de antichrist kan evenals van Judas worden gezegd: ' Hij is van ons uitgegaan maar hij was van ons niet' (1 Joh.2:19). Hij openbaart zich als de wetteloze mens, de verderver of vernieler. Wanneer hij 'uitgaat', wordt opnieuw vervuld: 'En het was nacht' (Joh.13:30). Dan valt er een diepe duisternis over de ganse aarde, zoals er van het begin der schepping, dus in de voortijd, niet geweest is.

Waar het volle evangelie gepredikt wordt, zullen de demonen in de afgrond worden geworpen, want de Zoon van God sprak immers, dat de zonen Gods dezelfde werken zouden doen die Hij had gedaan. Anderzijds zullen de zonen des verderfs de destructieve geesten in de afgrond ontketenen. De engel, die de sleutel van de put van de afgrond bezit, heeft de mens als medium nodig om dit te realiseren. Het bedrog van het spiritisme schuilt hierin, dat men meent met geesten van gestorven mensen contact te krijgen, terwijl men in werkelijkheid geconfronteerd wordt met de boze geesten aan wie deze mensen tijdens hun leven verbonden waren, of eventueel met andere demonen, die zich voor de overledene uitgeven. Haalt men tegenwoordig tijdens de oefeningen met 'het zwarte gat' en in spiritistische séances nog de zwakke en armelijke 'naar boven', het ogenblik nadert, dat ook de sterke aan diepe duisternis gebonden geesten uit de voortijd, zich ten volle zullen manifesteren. De antichrist zal erin slagen de koning van de verdervende geesten terug te brengen: 'Zij hadden over zich als koning de engel van de afgrond; zijn naam is in het Hebreeuws Abáddon en in het Grieks Apóllyon', de verdervende of de vernieler (Openb.9:11). In het Oude Testament is in de Hebreeuwse taal de naam Abáddon verbonden met het schimmenrijk, met het verderf en de ontbindende krachten van het dodenrijk of onderwereld (Job 26:6, 28:22; Ps.88:12; Spr. 15:11).

In de voortijd ontregelde Abáddon, de vorst van de destructieve engelen, door zijn geweld het leven van mens, dier en plant. Het is daarom opmerkelijk dat de Here God na de zondvloed tot Zichzelf sprak, dat Hij de aardbodem niet meer om de mens zou vervloeken, dus prijsgeven aan de ontbindende wetteloze geesten. In de natuurlijke wereld zal de mens dus de heerschappij op de aarde behouden. Hij is evenwel een ontrouwe beheerder, die de atoombom vervaardigt waarmee hij de aarde kan verwoesten en die de groeihormonen en het DNA beïnvloeden om de originele levende schepping te misvormen. Hij roeit de oerwouden uit en is de veroorzaker van het veelvuldig natuurbederf. De mens is de grote milieuvervuiler der aarde geworden, terwijl de Schepper tot hem sprak: 'Niet tot een baaierd heb Ik haar geschapen, maar tot bewoning heb ik haar geformeerd' (Jes.45:18).

Wanneer de vloed van verdervende engelen opnieuw over de aarde gaan zal, wordt er alleen schade toegebracht aan de mensen, die het zegel van God niet op hun voorhoofd hebben. Niemand die de naam des Heren aanroept, zal omkomen, want hij is onaantastbaar (Openb.9:4).

Het beest uit de afgrond

'En de draak bleef staan op het zand der zee, en ik zag uit de zee een beest opkomen', luidt de nieuwe vertaling aan het einde van Openbaring 12 en aan het begin van Openbaring 13. In visionaire toestand zag Johannes een close-up van wat hem eerder bij de vijfde bazuin getoond was. Hij hoorde zee en branding - de grens van de zichtbare en onzichtbare wereld - groot geluid geven. De Geest toonde hem een toekomend wereldbeeld, waarin de mensen zullen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen die over de wereld komen. Want de machten van de onzienlijke wereld zullen bewogen worden (Luc.21:25,26).

In bovengenoemde tijd heeft de voorspelde afval van het christendom haar dieptepunt bereikt. Het bijbelse fundament waarvan Hebreeën 6:1-4 spreekt, is dan in de gedegenereerde kerk geheel verdwenen. De dwalingen en valse leringen zijn het zand, waarop zij in de laatste dagen rust. In haar is dan nog een verbasterde charismatische beweging, waar men wel verlicht was geweest, van de hemelse gave genoten had en deel had gekregen aan de Heilige Geest en het goede woord Gods, maar waar men ook tot afval kwam (Hebr.6:4). Daarom staan er ook vele antichristen op, die zich losmaken van de oprechte geestelijk begaafde kerkleden en de persoon van de antichrist voortbrengen (1 Joh.2:18,19). Dit komt dan overeen met de massale afval der Sethieten in de voortijd. Door middel van seances, mediums en paranormale ambtsdragers met hun kerkleden zal men afdalen in het dodenrijk om 'de diepten des satans' te onderzoeken, zoals dit eenmaal in de gemeente te Thyatira op kleine schaal geschiedde (Openb.2:24). Zo roept men zelfs ten langen leste Abáddon met zijn legermacht op. Hij is het beest dat in de voortijd was, in zijn openbaring er nog niet is, omdat het nog in de afgrond is (Openb.17:8 St.vert.).

Waarschuwend schreef Johannes: 'Indien iemand in de gevangenis (het dodenrijk) voert, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden' (Openb.13:10 St.vert.). Zoals het zwaard van de Heilige Geest het woord van God is, vertegenwoordigt het zwaard van de vijand de leugen van het spiritisme, waardoor medium en begeleider in het dodenrijk worden gevoerd. Daar sterven zij een geestelijke dood, die hen onbereikbaar zal maken voor het evangelie van Jezus Christus.

Hoe moeten wij ons voorstellen dat Jezus Christus de sleutels heeft van dood en dodenrijk, maar dat ook de draak nog de beschikking heeft over sleutels om het dodenrijk te ontsluiten? Het antwoord is dat onze Heer de sleutels alleen hanteert om mensenzielen te redden van de dood, terwijl de duivel alleen de boze geesten kan doen opkomen. Wanneer een gelovige sterft, sluit onze Heer het dodenrijk toe en zal zo'n christen 'de dood in eeuwigheid niet aanschouwen noch smaken' (Joh. 8:51 en 52). Hij neemt bij het sterven immers zijn intrek bij Christus (2 Kor.5:8).

Koning Saul was een bezeten mens. Hij werd rechtstreeks door een demon gebruikt, die zich in het byzonder tegen David keerde uit wie de Christus geboren zou worden. Saul trachtte David enkele malen met een speer te doden en vervolgens jaagde hij hem na in de woestijnen, spelonken en bergvestingen. Aan het einde van zijn koningschap gebruikte deze vorst een mediamieke vrouw om contact te krijgen met de gestorven profeet Samuël. Zij was evenwel niet bij machte om de mens Samuël op te roepen, maar wel een sterke verderfengel uit de afgrond, die zich op mysterieuze wijze voordeed als Samuël. Deze geest gaf zich dus voor een overledene uit. Hij deed hetzelfde als Saul, die zich had vermomd en andere klederen had aangedaan (1 Sam.28:8). Toen de helderziende vrouw de onheilspellende geestverschijning zag, schrok zij hevig 'en slaakte zij een luide kreet'. Op hetzelfde ogenblik herkende zij ook de man, die haar de opdracht had gegeven en tevens de geest die hem bezet hield. Saul had deze vrouw naar het dodenrijk of de gevangenis gevoerd en de macht deelde hem mede, dat hijzelf de volgende dag ook het dodenrijk zou binnengaan. De sterke verderfengel voor wie de koning neerknielde, doodde ook zijn drie zonen en veel volk (2 Sam.1:4).

Johannes ziet hoe na duizenden jaren het strand der zee het rendez-vous is van de draak en Abáddon. De duivel had immers de sleutel van de afgrond aan een van zijn engelen gegeven. Nu wacht hij het ogenblik af, dat Abáddon aan het hoofd van zijn legioenen de afgrond verlaat en opkomt uit de zee. Van de sleutelengel wordt opgemerkt dat hij als een ster uit de hemel op aarde 'gevallen' was. In Openbaring 20:1 is daarentegen sprake van een heilige engel die uit de hemel 'neerdaalde' om na de slag bij Armageddon op het bevel van Jezus Christus de afgrond te openen en de draak erin te werpen.

Bij de ontmoeting op het strand der zee stellen de draak en zijn engelen zich beschikbaar aan Abáddon en zijn demonen, die ogenblikkelijk hun oude, zondige activiteiten gaan hervatten. Hun bevrijde koning ontvangt dan van de satan 'diens kracht en diens troon en grote macht'. Wijsheid is er niet bij, want die kan de oude slang hem niet schenken. Zij was bij zijn val 'teniet gegaan' (Ez.28:17). Zo toegerust neemt het beest uit de afgrond zijn intrek bij de antichrist, het beest uit de aarde (Openb.13:11; 11:17). Beest en valse profeet zijn dan één geworden (Openb.19:20). De antichrist wordt dan de nieuwe 'overste der wereld' en 'de overste van de macht der lucht', waarbij de lucht beeld is van de geestelijke wereld, die bij de mens hoort (Joh.12:31; Ef.2:2). De bezeten en voortgedreven mens der zonde stelt zich dan op tegen Christus, met wie de Vader de troon deelt en aan wie alle macht is geschonken in hemel en op aarde. Met dit gebeuren vangt de eindfase aan van de strijd in de hemelse gewesten, waarvan Paulus in Efeziërs 6:12 spreekt. Armageddon, waar de legerscharen elkaar treffen is dan niet ver meer.

kvo 52e jaargang nummer 4 april 1988

(als in de dagen van Noach III )

J E Z U S : d e P R E D I K E R

d e r G E R E C H T I G H E I D

Een ongekende verdrukking

Noach, de prediker der gerechtigheid, was de achterkleinzoon van Henoch. Beiden staan te boek als grote profeten en evangelisten uit de voortijd. Onder hun tijdgenoten waren ze rechtvaardig en onberispelijk, want zij wandelden met God. Zo'n godvruchtig leven komt overeen met het geloof, dat God behaagt. Henoch profeteerde in het byzonder tot zijn afvallige Sethietische stamgenoten, die in Judas 12 getypeerd worden als 'wolken die geen water geven, daar zij door de winden - beeld van de boze geesten - voorbijgejaagd worden; bomen die in de late herfst geen vrucht geven'. Henoch komt overeen met profeet Elia, die onder de regering van de goddeloze afvallige Achab en diens vrouw Izébel, het afgeweken volk tot bekering opriep. Beiden werden door God 'weggenomen'. Zij behoren nu tot de gezalfde getuigen, 'die voor de Heer der ganse aarde staan'. Zij symboliseren een schare gelovigen in de eindtijd, van wie geschreven is: 'Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden in een ondeelbaar ogenblik' (1 Kor.15:51).

Waarom vergeleek Jezus de eindtijd met de prehistorische periode? Omdat in beide tijdperken de wereldbevolking zich onder een enorme pressie bevond en zich zal bevinden, welke rechtstreeks door de verdervende geesten werd en zal worden veroorzaakt. Jezus sprak over 'een verdrukking, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal' (Matt.24:21). 'Het begin der wereld' ziet hier op het menselijke ras, dat ontstond 'toen de mensen zich op aarde begonnen te vermenigvuldigen'. Voor de tweede maal in de geschiedenis komt er in de laatste dagen zo'n massale invasie van demonen, die de mensheid zullen terroriseren en verderven. In de eindtijd openbaren zich evenwel de geweldgeesten sterker en heftiger, is de anarchie in de kerk, staat en maatschappij groter, terwijl het terrorisme en vandalisme gigantischer afmetingen zullen aannemen. De aarde wordt dan beheerst door 'de mens der wetteloosheid', 'de zoon des verderfs', door de allerslechtste regeerder die ooit leefde en die een aartsvijand is van Jezus Christus en diens gezalfde gemeente. De antichrist is een geestelijk leider, die paranormale krachten bezit: 'Zijn komst is naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen' (2 Tess. 2:9). Hij zal een verdrukking op aarde veroorzaken zoals nooit geweest is, zoals de mensen nimmer gewend waren of gekend hadden, want de ellende wordt dan rechtstreeks bewerkt door de zwarte magie van deze opperpriester in de kerk van de satan. De losgebroken geestenwereld wordt door hem geleid.

 

Noach, de voorbidder

Te midden van de geweldenarij in de voortijd zien wij Noach als laatste prediker door God gezonden. In Ezechiël 14:14 wordt hij met Job en Daniël tot de allergrootste voorbidders uit de voorchristelijke tijd gerekend. Toen Noach 600 jaar oud was, ging hij de ark binnen en kwam de zondvloed over de aarde. Ongetwijfeld heeft hij vele eeuwen onder de wereldbevolking van zijn tijd gepredikt en haar opgeroepen tot bekering. Wel luisterde men naar deze extreme man Gods, maar men kwam niet tot een geloofsdaad. Men ging voort met eten en drinken, huwen en ten huwelijk geven terwijl men het grote, zedelijk verval met het daaraan gepaarde geweld als een maatschappelijk verschijnsel aanvaardde. De mogelijkheid dat in de atmosfeer en in de wolken een hoeveelheid water was opgeslagen, die gelijk was aan de totale hoeveelheid water op de aardbodem, was voor de oermens even onbegrijpelijk als de voorstelling bij de moderne mens, dat in de toekomst in de geestelijke wereld de zon en de lucht geheel verduisterd zullen worden door een massale vloed van demonen uit de afgrond. Zij, die het evangelie van het Koninkrijk der hemelen niet kennen, spreken veelal over een naderend onheil in de zichtbare wereld: natuurrampen, oorlogen, watersnoden, besmettelijke ziekten, zedelijk verval. Zij komen overeen met de verontrustte Lot, die zwaar te lijden had van de losbandige levenswandel zijner stadgenoten, en wel dag aan dag zijn rechtvaardige ziel kwelde, maar onmachtig was om de onzichtbare vijanden niet alleen bij de bestuurders in de poort maar ook in eigen familiekring te weerstaan en te overwinnen. Zij kunnen zich niet voorstellen dat het uitzicht op de hemel, waarin de heerlijkheid Gods geopenbaard wordt, zal belemmerd worden door een wereldomvattende plaag van geestelijke sprinkhanen, die ieder leven op aarde bemoeilijken en verstikken: 'Er steeg rook op uit de put, als de rook van een grote oven; en de zon het zwerk - beelden van het rijk Gods en van het onzienlijke leven dat bij de mens behoort - werden verduisterd door de rook van de put. En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde te voorschijn ' (Openb.9:2,3).

Is het vreemd dat Noach pas op vijfhonderdjarige leeftijd een vrouw vond, die bij hem paste? (Gen.5:32). Ook zijn zonen huwden zeer laat, want alle drie waren nog kinderloos, toen zij de ark binnengingen. Zij 'namen ten huwelijk' op de door God aangewezen wijze en tijd. Hoevele malen zal Noach tijdens zijn 'evangelisatiecampagnes' niet hebben gebeden: 'Heer mijn God, schenk mij zielen op mijn prediking, geef mij loon op mijn arbeid'? Maar niemand kwam op zijn massameetings naar voren om zich te verootmoedigen en de toegestoken hand van God te aanvaarden. Spreek mij van onverhoorde gebeden! Wat een geloof heeft deze Godsman gehad om eeuw in eeuw uit zijn opdracht uit te voeren met zulk negatief resultaat. Toch was hij geen boeteprofeet, die met zijn banvloeken de schare deed sidderen. In dit verband denk ik aan Girolama Savonarola, de visionaire monnik uit de middeleeuwen, die in Florence zijn toespraken over de ark van Noach hield, en die niemand en niets spaarde. Zijn stem rolde als een donder over de menigte en de toehoorders werden bevangen van ontroering en angst, maar hun veranderingen waren slechts van korte duur. De Hebreeënschrijver zegt slechts dat Noach door het geloof eerbiedig of in vreze de ark toebereidde, en dat hij door deze positieve geloofsdaad de wereld heeft veroordeeld. Zijn voorbede en toespraken waren gericht op redding en behoud.

Een volheid der heidenen gered

Wanneer het drama van de voortijd zich voltrekt, worden miljoenen of moet ik schrijven miljarden mensen binnen enkele weken door een onafwendbare verdrinkingsdood bedreigd. De bijbel zwijgt over al die mannen, vrouwen en kinderen die in deze ramp omkwamen. Wij zien niemand in doodsstrijd en horen geen wanhoopskreten van vaders en moeders, die met hun kinderen naar hoger gelegen gedeelten vluchten. Ook vinden wij geen woord van erbarming en medelijden met de onschuldige slachtoffers, zoals bijvoorbeeld bij het slot van het boek Jona, wanneer Nineve gespaard wordt mede terwille van hen, die het onderscheid niet kenden tussen hun rechter- en linkerhand, afgezien nog van het vele vee.

Wij schreven al over een deel der mensheid, dat de naam van God lasterde, evenals de verharde zondaars in de eindtijd in hun grote nood dit zullen doen (Openb.16:8-11). Maar er zullen ook velen geweest zijn, die de God van Noach in hun laatste ogenblikken om genade smeekten. Toen de meedogenloze vloed zich om hen sloot, zullen zij nog aan de prediking van Noach gedacht hebben. Zij bekeerden zich op de wijze zoals de profeet hun dit duidelijk had gemaakt. De vergelijking gaat enigszins mank, maar we zouden hier kunnen spreken van sterfbedbekeringen, waarbij de mens aan het einde van zijn leven een verandering ten goede meemaakt. Dan kunnen de demonen, die niet mee naar het dodenrijk willen, van hen wijken en spreekt men wel van stervensgenade. Het gelaat ontspant zich en er komt een vredige trek op.

Voor velen in de voortijd gold de uitspraak van Paulus: 'Want God heeft hen allen onder ongehoorzaamheid besloten, om Zich over hen allen te ontfermen' (Rom.11:32). Evenals later over het ongehoorzame volk Israël, dat de profeten doodde, was ook over hen de toorn van God - dat zijn de machten der duisternis - gekomen tot het einde (1 Tess.2:16). Allen werden toen aan de satan overgeleverd tot verderf van het vlees, opdat hun geest zou worden behouden in de dag des Heren (1 Kor.5:5). Wij zien dat uit de voortijd een volheid der heidenen is binnengegaan als een voorvervulling van hetgeen ook in de eindtijd zal plaatsvinden, want velen zijn nog voor eeuwig gered door Christus Jezus, de betere Noach van het nieuwe verbond (Rom. 11:25). Men leefde eertijds, wat het inzicht in het Koninkrijk der hemelen betrof, nog in de tijden der onwetendheid, welke God heeft voorbijgezien (Hand.17:30). Noach kon geen boze geesten uitdrijven of een mens in de vrijheid stellen. Hij kon evenmin als Job 'het Gedrocht ophalen met een haak' (Job 40:20 Leidse vert.). Hij kende immers het evangelie van het Koninkrijk der hemelen niet, want dit werd pas door Jezus Christus geopenbaard (Matt.13:35).

In 1 Petrus 3:18-20 wordt ons iets meegedeeld van hetgeen Jezus tijdens zijn driedaagse verblijf in het dodenrijk had verricht. Petrus kon dit weten, omdat onze Heer na zijn opstanding veertig dagen lang met zijn apostelen had gesproken over alle aangelegenheden van het Koninkrijk Gods (Hand.1:3). Waar Johannes later de diepzinnige gedachten van dit onderwijs weergaf, was Petrus meer de persoon om de gebeurtenissen te reveleren. Hij schreef hierover: 'Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest, in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach'. Om het grote belang van deze uitspraak te zien, moet men op het verband letten waarin ze staat. Petrus houdt hier zijn lezers voor, dat zij in navolging van Christus altijd het goede moeten doen, ook al zou dit met lijden gepaard gaan. Want ook Christus heeft geleden en is zelfs gestorven voor de zonde van de gehele wereld, 'als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen'. Met deze intentie is Hij zelfs in de kerker gaan prediken. Hij deed dit als triomfator. Bij zijn sterven had Jezus immers zijn menselijke geest toevertrouwd aan de handen van zijn Vader. Deze handen zijn beeld van de Heilige Geest. De uitdrukking: die door zijn hand zich laten leiden, betekent immers dat men zich door de Gods Geest laat leiden. Toen Jezus het dodenrijk binnenging, woonde de ganse volheid Gods, die Hem tijdens zijn lijden had verlaten, opnieuw in Hem. Is het wonder dat Hij de sleutels van dood en dodenrijk in zijn bezit nam? Hij kon de poorten van het dodenrijk voor de rechtvaardigen openen en voor hen die in Christus ontslapen, toesluiten.

In 1 Petrus 4:5,6 wijst de apostel er nogmaals op, dat Jezus in het dodenrijk gepredikt heeft: 'Hij staat gereed om levenden en doden te oordelen. Want hiertoe is óók aan doden het evangelie gebracht, opdat zij wèl, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden geoordeeld worden, doch, naar God, wat de geest betreft, zouden leven'. Men denkt nog zo vaak dat voor de tijd van Christus op aarde, slechts het kleine aantal mensen, dat in het schemerlicht van het oude verbond leefde, behouden werd. Wat zich buiten Israël en zijn eredienst bevond, zou voor het merendeel voor eeuwig verloren zijn. Petrus had echter van Jezus iets anders vernomen. Ook in het dodenrijk had er een oordeel plaatsgevonden, dus een scheiding van goeden en kwaden. In de gevangenis heeft Jezus aan hen, die vroeger ongehoorzaam gewéést waren, het eeuwige en blijvende evangelie, dat van het Koninkrijk der hemelen, verkondigd. Deze betere Noach hield in het dodenrijk 'massameetings', opdat zij die naar het vlees waren veroordeeld, met hun geestelijk lichaam of naar de innerlijke mens, zouden leven.

Ook de ontslapen rechtvaardigen uit het oude verbond hoorden in de hades de goede tijding. Vele heiligen kwamen daar in aanraking met de Doper in de Heilige Geest naar Wie ze tijdens hun leven op aarde hadden uitgezien. Toen werden ook zij opgewekt uit de doden en werden de poorten van het dodenrijk voor hen geopend. In Matteüs 27:52,53 staat dat 'vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt'. Zoals hun stoffelijke lichamen in de graven waren gelegd, zo vertoefden zij met hun inwendige mens in het dodenrijk en vingen zij met hun geestelijke oren de blijde boodschap op. Zij vergezelden Jezus bij zijn hemelvaart naar de heilige stad, het hemelse Jeruzalem.

De driedaagse zegetocht van onze Here Jezus in het dodenrijk was tevens een voorvervulling van zijn profetische woorden in Johannes 5:28,29 aangaande de eindopstanding: 'Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven (beeld van het dodenrijk) zijn, naar zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ten oordeel'. Omdat zij de stem van Jezus hoorden en zijn woorden geloofden, rusten deze drenkelingen nu in hope op het eeuwige leven. Na het laatste oordeel zullen zij op de nieuwe aarde wonen en vormt deze volheid der heidenen mede 'de eer der volken' die de poorten van het nieuwe Jeruzalem zal binnengaan' (Openb.21:26). Met een variant op Jakobus 5:11 zou ik kunnen schrijven: 'Gij hebt van de wereldomvattende catastrofe van de voortijd gehoord, maar uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming'. 'O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen' (Rom.11:33).

zie voor andere artikelen kvooverz