kvo 48e jaargang nummer 9 september 1984

J.E.v.d.Brink

brieven van lezers

God is enkel goed

Broeder M.l. te Manilla, leest al zeven jaar met belangstelling KvO. Nu heeft hij een vraag 'met betrekking tot de 'God is goed'-exegese van de redaktie. Als ik het goed begrepen heb, kan ik deze exegese als volgt omschrijven: bij een oudtestamentische uitspraak, die aan het enkel goede karakter van God tegenstrijdig lijkt, wordt de conclusie getrokken, dat de bijbelschrijver of spreker geen inzicht had in de hemelse gewesten. Als voorbeeld zou Hanna kunnen dienen, als ze in Samuel 2:6 zegt: 'De Here doodt en doet herleven,... De Here maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij'. Een ander voorbeeld zou kunnen zijn in 1 Samuel 16:14, waarin 'een boze geest, die van de Here kwam', koning Saul angst aanjoeg. Tot op zekere hoogte kan ik deze gedachtengang wel volgen, omdat ook Job dacht, dat de Heer hem alles afnam (1:21), terwijl uit de voorgaande verzen duidelijk blijkt, dat de satan de oorzaak was van Jobs ongeluk. Als ik het goed begrepen heb, heeft de redaktie ooit wel eens overwogen om de bijbel te herschrijven, omdat deze zo vol staat met dit soort 'fouten'.

Mijn vraag is: 'Als God zelf een uitspraak doet, die schijnbaar tegen zijn wezen indruist, hoe verklaart de redaktie dat dan?' Een goed voorbeeld lijkt mij de verschijning des Heren aan Salomo in 2 Kronieken 7:13, waar God onder andere zegt: 'Wanneer ik de sprinkhanen gebiedt het land kaal te vreten, indien Ik de pest onder mijn volk zend...' Een tweede voorbeeld is Micha 6:13, waar God door de profeet heen het oordeel tot Jeruzalem aanzegt met de woorden: 'IK echter maak krank, Ik sla u, Ik richt verwoesting aan wegens uw zonden'.

Antwoord:

Inderdaad hadden de oudtestamentische bijbelschrijvers nog geen goed inzicht in de geestelijke wereld. Zij meenden dat God en ook de mens de vernielingen in de schepping aanbrengen. Hierdoor bleef de boze buiten schot. De geschiedenis van Job bevestigt deze gedachte. Alleen de schrijver van het boek zag verder. De gelovigen waren toen ook niet gedoopt met de Heilige Geest, want deze was nog niet in hen, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was (Joh.7:39). Zij kenden de realiteiten van de hemelse gewesten niet, want de 'waarheid' is pas door Jezus Christus gekomen (Joh.1:17).

De naam satan en duivel komt slechts sporadisch voor in de bijbelboeken die vóór de ballingschap werden geschreven. De bijbelverklaarder Dächsel schrijft hierover: 'Het is een onbetwistbaar feit, dat Israël eerst ná de ballingschap volstrekt genezen was van alle zucht naar afgoderij, terwijl het vóór die tijd altijd weer geneigd was tot het dienen van afgoden. Hiermede heeft God rekening gehouden. Had Israël vóór de ballingschap de openbaring gehad van een persoonlijke boze geest door de zucht naar afgoderij geleid, had het allicht, om zich voor het kwaad te vrijwaren, hem geëerd en gediend, gelijk het voor Baäl en Moloch altaren oprichtte. Maar nu Israël genezen is van de afgoderij en het Jehova alleen wenst te dienen en dient, nu is er ook geen gevaar meer, dat door de kennis en de wetenschap van een persoonlijke geest zich zal laten verleiden tot het dienen en vereren van deze' (aant. bij 1 Kronieken 21:1). De opmerking dat er in Israël weinig kennis van de boze geesten was, is juist, maar deze onwetendheid gaf geen enkel voordeel. Later zou de apostel schrijven, dat het offeren aan de afgoden een offeren is aan boze geesten. Onwetend kwam men in gemeenschap met de demonen. Ook wist men niet, dat de boze geesten de verwekkers zijn van alle onheil. Paulus die de machten der duisternis menigmaal in de hemelse gewesten tegengekomen was, schreef aangaande de satan en zijn legerscharen, dat diens gedachten hem niet onbekend waren (2 Cor.2:11). Ook is het zo dat de profetie haar kracht en diepgang ontleent naar mate van het geloof der profeten, dus naar de kennis die zij hebben van de onzienlijke wereld. Door hun profetieën dienden de oude profeten voor hun tijd de raad Gods, maar de volle genade die hun godsspraken bevatten, ging hun begrip en inzicht te boven. Er staat dat zij gezocht en gevorst hebben naar het volle heil, dat God aan ons heeft geopenbaard (1 Petr.1:10). Op soortgelijke wijze 'zochten' de aartsvaders een beter, 'dat is een hemels vaderland' (Hebr.11:16).

Op de suggestie van de briefschrijver dat wij als KvO-redaktie de bijbel zouden willen herschrijven, is mijn antwoord, dat dit nooit in ons is opgekomen. Wel hebben wij ons onder de leiding van de Heilige Geest ons ingezet om bij het licht van het nieuwe verbond de oude waarheden te verstaan. Zo kreeg bijvoorbeeld bij Jezus het woord van God: gij zult niet doden, een diepere dimensie, toen Hij sprak, dat ieder die in toorn tegen zijn broeder leeft, zal vervallen aan het hemelse gericht. In Hosea 1:10 staat: 'Ter plaatse waar tot hen gezegd werd: Gij zijt mijn volk niet - zullen zij (de tien stammen) genoemd worden kinderen van de levende God'. Paulus geeft aan deze tekst een hogere betekenis, wanneer hij haar in Romeinen 9:24 op Joden en heidenen toepast. Jezus herschreef het Oude Testament niet, toen Hij de Emmaüsgangers uitlegde, wat in al de schriften op Hem betrekking had. Hij haalde er alleen de volle waarheid uit, welke tot die tijd verborgen was geweest. Ook in het Oude testament vinden wij voorbeelden dat een uitspraak van de ene schrijver door een andere wordt verduidelijkt. In 2 Samuël 24:1 staat, dat 'de toorn des Heren tegen Israël ontbrandde; Hij zette David tegen hen op om het volk te tellen'. Een latere geschiedschrijver werpt een ander licht op het gebeurde toen hij schreef dat de satan zich tegen Israël keerde en David aanporde het volk te tellen (1 Kron.21:1).

De bijbelverklaring van Dächsel tekent bij 2 Samuël 24:1 aan: 'De beide verhalen zien dezelfde zaak uit een verschillend oogpunt. Voorzeker was de satan er op uit om ergernis aan te richten en over Israël en diens koning nieuw onheil te brengen. Maar de Here, die volgens Jacobus 1:13 nooit een verzoeker ten kwade is, achtte het overeenkomstig de bedoeling Zijner wijsheid, om de vorst der duisternis tot op zekere hoogte zijn vrije gang te laten gaan'.

Wanneer er staat dat Gods toorn tegen Israël ontbrandde, betekent dit dat zijn Geest zich verhief vanwege de begeerte en overleggingen van David, de leider van het volk. Het gevolg was dat de Here zich van David distantieerde, waardoor deze was overgegeven aan zijn verwerpelijk denken en waaruit de zondige daad door gemeenschap met de boze geesten werd geboren (Jac.1:14,15). De toorn van God betekent de wegneming van de omtuining of bescherming, waardoor de demonen hun slag kunnen slaan.

In verband met de opmerking van onze broeder, dat God zelf de pestziekte onder het volk zou hebben gezonden, lees ik in het verhaal van de volkstelling van David, dat God een engel naar Jeruzalem zond om deze stad te verdelgen. Deze engel wordt in 1 Kronieken 21:15 een verderfengel genoemd. Hij behoort beslist niet tot de heilsarmee van de Allerhoogste, maar wel tot het leger van de satan. In vers 16 ziet David deze pestengel door de lucht zweven, gereed om met zijn zwarte zaad de dodelijke zwaai te maken. Wij zien dus dat in het oude verbond geen duidelijke onderscheiding van geesten was. Het is te betreuren dat vele christenen nog niet verder zijn gekomen. Zij geloven met de Heidelbergse Catechismus dat God hun het kwaad in dit jammerdal toeschikt.

Ook haalt de schrijver Micha 6:13 aan, waar God tot Jeruzalem zegt: 'Ik echter maak u krank, Ik sla u, Ik richt verwoesting aan'. Parallel met deze tekst is die van Jesaja 53:10, waar staat dat het de Here behaagde zijn geliefde knecht Jezus te verbrijzelen en Hem ziek te maken. Maar hoe ging dit dan toe? In de zichtbare wereld werd onze Heer naar zijn eigen woorden 'overgeleverd in de handen van zondaren' (Matth.26:45). In de onzienlijke wereld verliet de Heilige Geest Hem. De Heer kwam 'in de ure der duisternis', waar Hij de pers alleen moest treden, zonder steun van God en van mensen. Hij werd aangevallen door legioenen demonen, die in Psalm 22 uitgebeeld zijn door: stieren, buffels van Bazan, een verscheurende en brullende leeuw, honden en een bende geestelijke boosdoeners. Maar Hij overwon, 'want een dag van wraak had hij in de zin en het jaar van zijn verlossing was gekomen' (Jes.63:2).

Natuurlijk kan de Allerhoogste de satan wel beletten de mens aan te vallen door deze te omtuinen, maar dan zou hij nooit overwinnaar worden in de geestelijke strijd, en waardig en bekwaam geacht worden om te regeren over al de werken van Gods handen. Onze Heer heeft ons de opdracht gegeven de satan onder onze voeten te verpletteren (Rom.16:20).

Wat te denken van de woorden van Hanna: 'De Here doodt en doet herleven'? Het gaat hier niet om een zich passief onderwerpen aan hetgeen een God van willekeur ons zou aandoen en waartegen wij geen verweer zouden hebben. Gods wil is immers het leven schenken en het is ook zijn wil dat niet één mens verloren gaat. Hij is enkel goed. Jezus sprak als vertegenwoordiger van de God, die alleen leven schenkt: 'Want gelijk de Vader de doden opwekt en doet leven, zo doet ook de Zoon leven, wie Hij wil (Joh.5:21). Desondanks heeft de evangelieprediking voor hen die verloren gaan een doodslucht ten dode, maar voor hen die worden gered, een levensgeur ten leven (2 Cor.2:15). Wie het evangelie door eigen keuze verwerpt, blijft immers in de dood, 'want de toorn Gods blijft op hem' (Joh. 3:36). Op deze wijze wordt de mens rijk of blijft hij arm, wordt hij verhoogd of blijft hij in staat van vernedering.

In Samuel 6:14 staat, dat de Geest van de Heer van Saul week en dat een boze geest van de Heer hem angst aanjoeg. Werken dan in God twee tegengestelde krachten? Alles wat uit de onzienlijke wereld kwam, was echter bij de schrijver 'van de Here'. Wanneer iemand door slechte en boze mensen wordt aangevallen, zou men vanuit deze oudtestamentische denkwereld kunnen constateren, dat hij te doen had met een boze geest van de aarde, dus met een verdorven menselijke geest. Bij Saul was dit duidelijk niet het geval. Hij werd immers rechtstreeks aangevallen in de onzienlijke wereld: een boze geest uit de hemelse gewesten attaqueerde zijn geest.

Als redaktie van KvO zijn wij blij, dat wij door schriftelijk onderwijs mede helpen, dat er een koninklijk priesterdom komt, dat de grote daden kan verkondigen van Hem, die ons uit het rijk van satan heeft overgezet in het Koninkrijk Gods. Een volkomen kennis aangaande God en zijn rijk bezitten ook wij nu nog niet. 'want onvolkomen is ook ons kennen en onvolkomen ons profeteren' (1 Cor.13:9). De spiegel waarin het beeld van God weerkaatst wordt, is Jezus Christus, de Zoon des mensen. De apostel merkt op dat wij in deze spiegel nog wazig Gods beeld zien (1 Cor.13:13 Can.vert.). De spiegel is wel volmaakt, want hij toont aan de geestelijke mens het wezen van God, zoals in de bedeling der schaduwen de volmaakte wet dit deed aan de natuurlijke mens. Maar de spiegel is beslagen door allerlei dwalingen en verkeerde leringen. Hij wordt versluierd door leugenachtige inspiraties, waardoor het godsbeeld niet helder meer overkomt. Zo'n dichte bedekking is dan de leer dat God zowel het goede als het kwade zou voortbrengen. Daarom kennen wij Hem nog onvolkomen, al is dit dan in mindere mate dan de gelovigen in het oude verbond. De Heilige Geest die in ons woont zal ons echter tot de volle waarheid leiden (Joh.16:13). Hij werkt als vertegenwoordiger van de Vader en de Zoon alleen het goede in ons en nimmer het kwade.

Zie voor andere artikelen kvooverz

Zie ook kvo86072 en kvo87022